Welkom



Verhoeven Ruesink Daniel is een gespecialiseerd belastingadvieskantoor. De dienstverlening aan onze cliënten is gebaseerd op kennis, ervaring en - niet op de laatste plaats - onafhankelijkheid. Maar daarmee zijn we er nog niet. Net zo belangrijk vinden we het om onze adviezen begrijpelijk en inzichtelijk te brengen. Het belastingrecht is tenslotte al ingewikkeld genoeg.

Geplaatst op 08-12-2016
Monumentenaftrek blijft (nog even) bestaan…
De voorgenomen afschaffing van de aftrekpost voor monumentenpanden is van de baan. Zoals wij al eerder schreven, was het aanvankelijke plan om deze aftrekpost met ingang van 1 januari 2017 in zijn geheel te laten verdwijnen. Dat gaat dus niet door, omdat de oppositiepartijen CDA, D66, ChristenUnie en SP hebben laten weten dat ze het voorstel om de aftrekpost te schrappen te onduidelijk en niet goed onderbouwd vonden. Wij gaan ervan uit dat dit uitstel geen afstel betekent en verwachten dat de monumentenaftrek op termijn wel op de schop zal gaan.

Aan de ingangsdatum van 1 januari 2018 van de afschaffing fiscale aftrek scholingsuitgaven wordt daarentegen niet getornd. Wel zal de komende periode worden gebruikt om te werken aan de subsidieregeling met scholingsvouchers die daarvoor in de plaats dient te komen.


Geplaatst op 29-11-2016
Reparatie van arrest: geen aftrek huurwoning zzp'er meer
De leuke aftrekpost voor zzp’ers met een huurwoning (zie ons item van 30 augustus 2016)  wordt met ingang van 1 januari a.s. geschrapt. Hoewel de staatssecretaris - naar aanleiding van het desbetreffende arrest - aanvankelijk liet weten dat de wet op dit punt niet zal worden aangepast, heeft hij inmiddels besloten om dat wel te doen.

Aldus zal met ingang van 1 januari a.s. de wet worden aangepast. Vanaf 2017 worden ondernemers voor de inkomstenbelasting (incl. zzp’ers en resultaatgenieters) met een onzelfstandige werkruimte in een huurwoning op dezelfde wijze behandeld als ondernemers met een koopwoning. Wellicht ten overvloede merken wij nog op dat de kosten van een zelfstandige werkruimte (onder de bestaande voorwaarden) wel aftrekbaar blijven van de winst.
Geplaatst op 24-11-2016
Invoering Wet DBA uitgesteld tot 1 januari 2018
De staatssecretaris heeft besloten om de implementatietermijn van de Wet DBA te verlengen tot (in ieder geval) 1 januari 2018. Hiermee bedoelt hij dat tot die tijd geen (repressief) handhavingsbeleid van toepassing is. De aanvankelijk per 1 mei 2016 in werking getreden Wet DBA bracht namelijk aanzienlijke onrust en knelpunten met zich mee. Het bedrijfsleven kan door de beslissing van de staatssecretaris op dezelfde voet verdergaan. Hetgeen betekent dat als klip en klaar duidelijk is dat er geen sprake is van een dienstbetrekking, er dus géén (model)overeenkomst Wet DBA tot stand hoeft te worden gebracht. Als er enige twijfel is, dan dient een dergelijke overeenkomst wel te worden gesloten. Vanwege de verlengde implementatietermijn geldt er geen (repressief) handhavingsbeleid.

Voorgaande is echter niet het geval ten aanzien van ‘de groep evident kwaadwillenden’. Die groep wordt door onze staatssecretaris als volgt gedefinieerd: ‘Kwaadwillend is de opdrachtgever of opdrachtnemer die opzettelijk een situatie van evidente schijnzelfstandigheid laat ontstaan of voortbestaan, omdat hij weet – of had kunnen weten – dat er feitelijk sprake is van een dienstbetrekking (en daarmee een oneigenlijk financieel voordeel behaalt en/of het speelveld op een oneerlijke manier aantast).’

Voor deze groep kwaadwillenden geldt – naar onze mening terecht – geen verlengde implementatietermijn, aldus zal de Belastingdienst met ingang van 1 mei 2017 starten met een (repressief) handhavingsbeleid.


Geplaatst op 11-10-2016
Met ingang van 2017 verbetering rechtsbescherming in de invorderingssfeer
Op het punt van rechtsbescherming bevat één van de op Prinsjesdag gepresenteerde wetsvoorstellen aanmerkelijke verbeteringen. Namelijk de uitbreiding en verbetering van rechtsbescherming in de Invorderingswet. 

Puntsgewijs gaat het om de volgende elementen:

1. De Ontvanger (die onder de Belastingdienst ressorteert) wordt bevoegd voor de invordering van belasting- én van toeslagschulden. Vanaf 2017 heeft degene die zowel toeslagen- als belastingschulden heeft dus te maken met één in plaats van twee organen;
2. de introductie van een debiteurgerichte (in plaats van vorderingsgerichte) betalingsregeling voor burgers. De belastingschuldige wordt dus het uitgangspunt. Ook dit komt de eenvoud ten goede;
3. ook toeslagschulden kunnen vanaf 2017 onder omstandigheden voor kwijtschelding in aanmerking komen;
4. de rechtsbescherming verloopt vanaf 2017 ten aanzien van geschillen over uitstel en kwijtschelding van zowel belasting- als toeslagschulden via de fiscale rechter. Tot die tijd is het nog zo dat een beperkt aantal kwesties door de fiscale rechter dient te worden beoordeeld, en alle overige gevallen door de civiele rechter.

Meer helderheid, betere rechtsbescherming en eindelijk een daadwerkelijke vereenvoudiging van het bestaande invorderingssysteem. Dat alles juichen wij van harte toe.
Geplaatst op 06-10-2016
Prinsjesdag 2016: (nog verder) op weg naar een vlaktax….
Oftewel hoe nog meer aftrekposten in de inkomstenbelasting zullen gaan verdwijnen. Vanaf respectievelijk 2017 en 2018 worden immers de aftrekposten voor monumentenpanden en scholingsuitgaven geschrapt.

Monumentenpanden
De persoonsgebonden aftrekpost voor rijksmonumentenpanden, waarmee onderhoudskosten gedeeltelijk in aftrek konden worden gebracht, verdwijnt met ingang van 2017 helemaal. In plaats daarvan komt er met ingang van 2017 een niet-fiscale subsidieregeling. Ook de overgangsregeling is niet fiscaal. Eenvoudig gezegd betekent dat dat de tegemoetkoming voor monumentenpanden niet meer verloopt via de aangifte inkomstenbelasting, maar door het doen van een beroep op een subsidie. Voor onderhoud dat in 2017 gepland staat, kan het in bepaalde gevallen interessant zijn om die kosten al in 2016 te maken. Hier zijn echter allerlei voorwaarden aan verbonden.  Wij betreuren de afschaffing van deze aftrekpost omdat dit deels ten koste zal gaan van ons culturele erfgoed.

Scholingsuitgaven
Mensen die een opleiding voor een beroep volgen en geen studiefinanciering ontvangen worden getroffen door het schrappen van deze aftrekpost. Daar waar het nu nog mogelijk is om het school/collegegeld en de kosten van de voorgeschreven boeken in aftrek te brengen, zal dat vanaf 2018 niet meer het geval zijn. De groep die deze aftrekpost claimt blijkt volgens het Centraal Plan Bureau (CPB) relatief hoog opgeleid te zijn. De achterliggende gedachte voor het schrappen van deze aftrekpost is dat er een maatregel dient te komen met scholingsvouchers voor mensen die ‘uit zichzelf minder snel geneigd zijn om scholing te volgen’. 

Kortom, naast de positieve geluiden - zoals de verhoging van diverse heffingskortingen en de fiscaal vriendelijke afkoop voor pensioen in eigen beheer - zijn dit een tweetal teleurstellende bezuinigingsmaatregelen.
Geplaatst op 30-08-2016
Aftrek werkruimte in huurwoning van ondernemer
Onlangs heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waardoor ondernemers, met een werkruimte die minimaal 10% van die huurwoning beslaat, een leuke aftrekpost oplevert.

Wat was er aan de hand? Belanghebbende verricht als ondernemer voor de inkomstenbelasting werkzaamheden in de bouw. Hij woont in een huurwoning en vanuit een kamer in die woning verricht hij diverse werkzaamheden (administratie, acquisitie en planning) voor zijn onderneming. Hoewel de kamer niet kwalificeert als een fiscaal kwalificerende werkruimte (er wordt o.a. niet aan het zelfstandigheidscriterium voldaan), oordeelt de Hoge Raad dat deze situatie wel tot een fiscale aftrekpost leidt. Volgens ons hoogste rechtscollege is het huurrecht namelijk een vermogensrecht en daarmee ‘een goed’ in de zin van het Burgerlijk Wetboek. Omdat in de onderhavige situatie 10% of meer van de oppervlakte van de woning gebruikt wordt voor ondernemingsuitoefening, vormt dat ‘keuzevermogen’.

De etikettering van het huurrecht als ondernemingsvermogen leidt ertoe dat het gehele bedrag van de huur ten laste van de winst van worden gebracht. Overigens dient wel een correctie voor het privégebruik als bijtelling in aanmerking dienen te worden genomen. In de meeste gevallen zal die bijtelling gelijk zijn aan 1,85% van de WOZ-waarde. Daarnaast is nog een evenredig deel (naar rato oppervlakte werkruimte ten opzichte van de woning) van de huurderslasten (denk aan gemeentelijke heffingen, waterschapslasten, inboedelverzekering, inrichtingskosten etc.) aftrekbaar.

Aantrekkelijk nieuws dus voor ondernemers (zzp’ers) die ondernemingsactiviteiten verrichten vanuit hun huurwoning! Voor deze groep is het van belang om ten aanzien van de jaren waarvan de aanslag nog niet geregeld is, hetzij de aanslag(en) nog vatbaar is voor bezwaar, in actie te komen. Hierbij dient echter wel de kanttekening te worden geplaatst dat dit alleen geldt voor nieuwe ondernemers of voor ondernemers bij wie zich substantiële wijzigingen in de omstandigheden voordoen. Als keuzevermogen eenmaal is geëtiketteerd als privé- hetzij ondernemingsvermogen, dan kan namelijk alleen in bepaalde gevallen op die keuze worden teruggekomen.

Voor overige groepen (ondernemers met koopwoning, of zij die een vergoeding voor de werkruimte aan een werknemer verstrekken) verandert dit arrest niets. Mede om die reden heeft het arrest geleid tot Kamervragen. Het wachten is op de antwoorden. Vooralsnog heeft de staatssecretaris laten weten dat de wet op dit punt niet zal worden aangepast.


Geplaatst op 02-08-2016
Pensioen in eigen beheer wordt per 1 januari 2017 afgeschaft
Het Pensioen in Eigen Beheer (PEB) vierde dit jaar zijn 75ste verjaardag. Geboren in 1941, maar al jarenlang een zorgenkindje. Een zorgenkindje van in totaal 45 miljard euro, een bedrag dat ziet op zo’n 150 duizend ondernemers. De helft daarvan heeft een financieel balansprobleem, omdat er te weinig bezittingen staan tegenover de pensioenverplichtingen. Maar ook als dat niet het geval is, verzwakt het pensioen de solvabiliteit van het bedrijf omdat de pensioenverplichting als schuld op de balans staat. Dat kan de mogelijkheid tot het aangaan van (bank)leningen belemmeren. Bovendien mag een aandeelhouder geen dividend uitkeren als de pensioenverplichtingen tot een negatief eigen vermogen leiden. Dus in een groot aantal gevallen is sprake van ‘een zorgenkindje’, in plaats van ‘een appeltje voor de dorst’.

Op 1 juli van dit jaar was de kogel door de kerk: de langverwachte brief met de definitieve oplossingsrichtlijn voor het pensioen in eigen beheer zag eindelijk het levenslicht. Als de parlementaire behandeling meezit, dan is de afschaffing van het PEB per 1 januari 2017 een feit! Allereerst is het vanaf 1 januari 2017 mogelijk om over te gaan tot belastingvrije afstempeling van de pensioenrechten tot de fiscale balanswaarde. Vervolgens zijn er twee smaken: gebruik maken van de fiscaal vriendelijke afkoopfaciliteit of kiezen voor de spaarvariant. Op de inhoud van beide opties komen we zo terug. Hoewel het eigenlijk overbodig is om te zeggen: opbouwen van PEB zal met ingang van 1 januari 2017 niet meer mogelijk zijn.

Daarentegen kan er dus wel fiscaal vriendelijk worden afgekocht in 2017, namelijk tegen een tarief van maximaal 34% (omdat 65,5% (in 2018: 75% en in 2019: 80,5%) van de fiscale waarde belast wordt tegen het inkomstenbelastingtarief van maximaal 52%). De jaartoevoeging 2016 komt overigens niet in aanmerking voor deze faciliteit. Het is vooralsnog onduidelijk hoe daarmee zal worden omgegaan.

Bij de spaarvariant blijft het geld in de onderneming en vindt de belastingheffing dus pas in de uitkeringsfase plaats. Vanaf de pensioendatum zal het pensioen(geld) – naar het zich nu laat aanzien - lineair in 20 jaar dienen te worden uitgekeerd.

De staatssecretaris verwacht dat de afkoopregeling PEB een positief effect van circa 2 miljard euro op de begroting 2017 zal hebben. Het kabinet wil een deel daarvan ten goede laten komen aan het mkb door het tariefsopstapje in de Vennootschapsbelasting te verlengen naar een winst van € 250.000 in 2018 en € 350.000 in 2021. Kortom, dit alles is verfrissend nieuws.
Geplaatst op 22-04-2016
Tandenknarsende BTW-inspecteurs doen het met Duitse kunstgebitten
De BTW is voor overheden een prachtige belasting. Haast onmerkbaar zorgen consumenten ervoor dat de schatkist maand na maand gevuld wordt met een prachtige opbrengst. Bovendien vinden heel veel wetenschappers dat consumptie een betere indicatie vormt voor draagkracht dan inkomen. Als belasting naar draagkracht moet worden geheven, dan zou je dus kunnen betogen dat de BTW een eerlijke belasting is. Wel is het zo dat mensen met een laag inkomen een relatief groter deel van hun inkomen consumeren en dus relatief meer bijdragen aan de schatkist dan mensen met een hoger inkomen. En tot slot heeft de BTW een remmende werking op de binnenlandse consumptie, nog altijd de grootste aanjager van de economie.

De BTW is wel een fraai voorbeeld van een Europees geharmoniseerde belasting. Het systeem is in alle EU-landen min of meer aan elkaar gelijk en werkt daardoor ook neutraal. Soms zijn er echter nog lokale verschillen die ervoor zorgen dat goederen door de werking van de BTW-regels in het ene land duurder zijn dan in het andere land.

Stel, een Nederlandse tandarts bestelt een kunstgebit voor zijn klant bij een Nederlands tandtechnisch laboratorium. Die levering is vrijgesteld van BTW, maar dat betekent ook dat het tandtechnisch laboratorium de BTW die aan het laboratorium in rekening wordt gebracht niet kan aftrekken. Die BTW zit dus in de kostprijs van het kunstgebit en zal dus uiteindelijk door de klant van de tandarts worden betaald.

Stel, diezelfde Nederlandse tandarts bestelt datzelfde kunstgebit bij een tandtechnisch laboratorium in Duitsland. In Duitsland zijn leveringen van tandtechnisch materiaal niet vrijgesteld van BTW. Dat betekent dat het Duitse laboratorium de BTW die aan het laboratorium in rekening is gebracht wel kan aftrekken. De BTW zit dus niet in de kostprijs. Vervolgens passeert het kunstgebit ergens bij het pittoreske De Lutte de grens. Omdat het om een grensoverschrijdende levering gaat brengt het Duitse laboratorium 0% BTW in rekening. In het kader van die grensoverschrijdende levering moet de Nederlandse tandarts een intracommunautaire verwerving aangeven, belast met BTW. Maar tegen welk tarief? In Nederland is zo’n levering vrijgesteld, maar in Duitsland niet. De belastinginspecteur vond dat de verwerving met 21% BTW belast was, maar de inkopende tandarts vond dat de vrijstelling van toepassing was. Uiteindelijk moest de Europese rechter eraan te pas komen en die gaf de tandarts gelijk. De tandarts was geen BTW verschuldigd over de ingekochte Duitse kunstgebitten.

Goed nieuws? Nou, nee, eigenlijk niet. Tandtechnische laboratoria uit Nederland hebben door deze gang van zaken een hogere kostprijs dan de Duitse laboratoria, voor zover er sprake is van levering aan Nederlandse tandartsen. Immers, de Duitse kostprijs is ontdaan van alle BTW, terwijl in de Nederlandse kostprijs een stukje BTW blijft hangen door de werking van de vrijstelling. De concurrentiepositie van de Nederlandse tandtechnische laboratoria wordt hierdoor slechter. Niet omdat hun kunstgebitten slechter zijn, maar door de BTW. Dat is raar en dat zou niet moeten kunnen.

Vrijstellingen in de BTW zorgen altijd voor cumulatie van BTW. Het lijkt tegenstrijdig, maar voor de eindgebruiker zou het veel beter zijn als alle leveringen en diensten zouden worden belast, dus ook die van artsen, banken, overheden, noem maar op. Voorlopig is dat een brug te ver, maar in ieder geval zou Europa erop moeten toezien dat BTW-regels in de lidstaten zoveel mogelijk gelijk worden toegepast.

Geplaatst op 17-02-2016
Exit afroommethode!
Om te voorkomen dat een directeur grootaandeelhouder (DGA) zichzelf een te laag salaris toekent, waardoor de fiscus grote bedragen aan loonbelasting/inkomstenbelasting misloopt, is de gebruikelijk-loonregeling in het leven geroepen. Voor de liefhebber, deze regeling vinden we terug in artikel 12a van de Wet Loonbelasting.
De hoofdregel is, dat een fulltime werkende DGA zichzelf eigenlijk een salaris moet toekennen van € 44.000 bruto per jaar. En geloof het of niet, soms is dit geen goede afspiegeling van de (zakelijke) werkelijkheid. Vandaar dat het bedrag van € 44.000 in lang niet alle gevallen volstaat. Als er binnen het bedrijf/concern een werknemer rondloopt die meer dan € 44.000 bruto per jaar verdient, moet de DGA van hetzelfde hogere loon uitgaan.
Tot voor kort had de fiscus nog een ander beproefd middel om het gebruikelijk loon van de DGA flink naar boven bij te stellen: de zogeheten afroommethode. Als de omzet en/of winst van een bv voornamelijk te danken is aan de inzet van de DGA, wordt het gebruikelijk loon bepaald aan de hand van de omzet. Daar mag dan nog wel een deel van af voor kosten van de bv etc., maar wat er dan overblijft, minus een marge van 25%, is dan volgens de fiscus het gebruikelijk loon van de DGA.
In 2014 heeft de Hoge Raad beslist dat de afroommethode in lang niet alle gevallen een goed beeld geeft en dus niet zo maar door de fiscus kan worden toegepast. Zeker niet als blijkt dat de winst van de bv niet één op één wordt veroorzaakt door de inzet van alleen de DGA. Deze fiscale rechtspraak heeft ertoe geleid, dat artikel 12a per 1 januari 2015 is aangepast. Allereerst is de gebruikelijkheidsmarge teruggebracht van 30% tot 25%. Om de bewijslast van de Inspecteur te vereenvoudigen, heeft de wetgever bovendien bepaald dat voor het gebruikelijk loon mag/moet worden gekeken naar wat in een meest vergelijkbare dienstbetrekking wordt verdiend. En daar dan 75% van.
Juist vanwege deze wetswijziging heeft Hof Amsterdam nu beslist, dat de afroommethode alleen nog maar door de fiscus mag worden toegepast, als er geen gegevens beschikbaar zijn over het loon in een soortgelijke dienstbetrekking. Dus tenzij het beroep van de DGA dusdanig uniek is, dat dit werkelijk met geen ander werkende Nederlander kan worden vergeleken, lijkt het erop dat de bij de fiscus zo geliefde afroommethode nu definitief in de ijskast kan.
Geplaatst op 22-01-2016
Het kind van de rekening...?
Het verkopen van de ouderlijke woning aan één van de (of alle) kinderen onder voorbehoud van een huurrecht lijkt aantrekkelijk. Nu de woningmarkt weer herstellende is, kan tegen de waarde in het economisch verkeer worden overgedragen die mogelijk lager is dan de waarde ten tijde van de toekomstige vererving. Ook andere redenen kunnen een rol spelen om dit te doen.

Van belang is echter wel dat de ouder in zo’n situatie op jaarbasis aan het kind (of de kinderen) een huur betaalt die gelijk is aan 6% van de WOZ-waarde. Wanneer dit niet gebeurt dan leidt dit tot een extra (fictieve) verkrijging die bij overlijden van de ouder belast is met erfbelasting.

Als kind(eren) ben je dan letterlijk ‘het kind van de rekening’ zo blijkt ook uit de volgende zaak, waar de Hoge Raad zich over zal gaan buigen. Kort samengevat speelt daarin het volgende: In juli 2010 verkoopt moeder (die weduwe is) haar woning voor de getaxeerde waarde in verhuurde staat voor € 117.500 - onder voorbehoud van een huurrecht – aan haar zoon. Moeder betaalt sindsdien elke maand € 650 huur aan haar zoon. Deze huur voldoet niet aan het wettelijke criterium dat in deze situatie van toepassing is. De huur had immers 6% van de WOZ waarde (€ 216.000 in dit geval) moeten zijn, dus € 12.960 op jaarbasis. In 2011 overlijdt moeder en vervalt het huurrecht.

Vervolgens legt de belastinginspecteur aan de zoon een aanslag erfbelasting op waarin ook een fictieve verkrijging is begrepen. Bij wetsfictie dient de zoon daardoor erfbelasting te betalen over een fictieve verkrijging van in beginsel € 98.500 (namelijk € 216.000 -/- € 117.500). Afhankelijk van de hoogte van de totale belaste verkrijging betaal je daar als kind zo’n 10% tot 20% erfbelasting over. In dit geval was dat een bedrag van bijna € 10.000!

Daar zou het kind ook tegenaan zijn gelopen als moeder net niet  had voldaan aan het wettelijk criterium; bijvoorbeeld door een jaarlijkse huur van € 12.000 te betalen. Ook dan loop je tegen een fictieve verkrijging aan. Dat is bovendien ook het geval als de huur niet feitelijk wordt betaald, maar schuldig wordt gebleven. Het gaat hier dus om een snoeihard criterium; pas op dat u niet ‘het kind van de rekening’ wordt…


Geplaatst op 03-12-2015
Is uw BV vrijgevig?
Bij het lezen van de titel van dit stukje zult u wellicht met uw wenkbrauwen fronsen of op een andere manier uw verbazing uiten. Kan een rechtspersoon namelijk een bedoeling hebben? Dat kan toch alleen de bedoeling van de bestuurder zijn?

De volgende vraag die zou kunnen opspelen is ‘hoe zit het dan met giften waaraan commerciële overwegingen ten grondslag liggen?’. Bijvoorbeeld een in een BV-vorm gedreven ruitersportzaak die nieuwe paardrijdkleding schenkt ten behoeve van de hoofdprijs, voor de door de lokale manege georganiseerde dressuurwedstrijd. Dan zijn het zakelijke kosten die volledig in aftrek kunnen worden gebracht. Anders ligt het als diezelfde ruitersportzaak € 1.000 schenkt aan (bijvoorbeeld) Unicef. Dan zou er een discussie kunnen ontstaan of deze niet-zakelijke gift - ingegeven door de persoonlijke vrijgevigheid van de aandeelhouder - niet eigenlijk als middellijke uitdeling dient te worden aangemerkt.

Onlangs is er een Besluit van de Staatssecretaris verschenen, waardoor dat soort discussies tot het verleden behoren. Voortaan komen ook door een BV gedane giften – die zijn ingegeven door de persoonlijke charitatieve behoefte van de aandeelhouder – in aanmerking voor de aftrekpost giften in de vennootschapsbelasting. Het spreekt voor zich dat deze giften moeten voldoen aan de voorwaarden die aan deze aftrekpost worden gesteld.


Geplaatst op 24-11-2015
Vanaf 1 januari 2016 wijziging in wetgeving vrijwarend storten door inleners en aannemers
Eén van de mogelijkheden om de risico’s van inleners- en aannemersaansprakelijkheid te verminderen is nu nog het rechtstreeks vrijwarend storten in ‘een WKA-depot’ bij de Belastingdienst. Vanaf 1 januari a.s. wordt die mogelijkheid afgeschaft.

De mogelijkheid om vrijwaring te krijgen door een deel van de factuursom te storten op een ‘G-rekening’ blijft wel bestaan. Per 1 januari zal er zelfs een gemoderniseerde versie van de G-rekening worden ingevoerd. Als er dan nog in een WKA-depot - in plaats van op een G-rekening wordt gestort - dan kan daar in beginsel geen vrijwaring voor worden verkregen.


Geplaatst op 20-11-2015
Belastingplan 2016 aangenomen door Tweede Kamer
Afgelopen woensdag heeft de Tweede Kamer het Belastingplan 2016 aangenomen, evenals de Overige Fiscale maatregelen 2016 en nog een paar wetsvoorstellen (waaronder ‘implementatie wijzigingen Moeder-Dochterrichtlijn’). Dat heeft al met al even geduurd; de belastingverlaging van 5 miljard leek tot deze week een patstelling te vormen.

De vraag is nu of het Belastingplan 2016 ook zal worden aangenomen door de Eerste Kamer. De partijen die in de Tweede Kamer ‘voor’ hebben gestemd, hebben geen meerderheid in de Eerste Kamer. Het is dus niet ondenkbaar dat de Eerste Kamer het Belastingplan op 15 december a.s. verwerpt. Als dat zich zal voordoen, dan worden de komende weken 4 miljoen aanslagen verzonden die bij nader inzien onjuist zullen zijn. Vervolgens is het zaak om ofwel als belastingplichtige zelf actie te ondernemen. Of om niets te doen, waarna het herstel pas zal plaatsvinden bij de definitieve aanslag 2016 (die op z’n vroegst in 2017 zal worden opgelegd).

Een ander gevolg dat zich bij verwerping door de Eerste Kamer zal voordoen, is dat bij werknemers over de eerste drie maanden van 2016 te weinig belasting zal worden ingehouden. Vervolgens zal dit door de werkgever gedurende de daaropvolgende maanden van het jaar 2016 dienen te worden gecorrigeerd. Dan zal er dus extra loonheffing worden ingehouden en als gevolg daarvan minder netto-loon overblijven.

Wij zijn dan ook benieuwd of het Belastingplan 2016 de finish haalt.

Geplaatst op 21-10-2015
Streefdatum opvolger voor de de VAR uitgesteld naar 1 april 2016
Nog geen maand geleden liet de staatssecretaris weten dat het wenselijk zou zijn als de opvolger van de VAR (de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (WDA)) met ingang van 1 januari a.s. in werking zou treden (zie ons website item van 1 oktober jl.). Omdat er nog veel onduidelijkheid heerst, waardoor het voor velen niet mogelijk is om de gevolgen van de afschaffing van de VAR compleet te overzien, is de streefdatum van deze nieuwe wet nu uitgesteld naar 1 april 2016.

Tot die tijd blijft de vrijwarende werking van de VAR voor de opdrachtgever dus bestaan. Inmiddels staan er al wel een aantal voorbeeld- en modelovereenkomsten op de website van de Belastingdienst. Waar u - als nu te maken heeft met een VAR - eens naar zou kunnen (laten) kijken. De staatssecretaris heeft de toezegging gedaan dat als overeenkomsten vóór 1 februari 2016 zullen worden voorgelegd aan de Belastingdienst, deze vóór 1 april 2016 zullen zijn beoordeeld.
Geplaatst op 13-10-2015
Informatiebeschikking is ook in de bezwaarfase toegestaan
Onlangs heeft de Hoge Raad een einde gemaakt over de onduidelijkheid of het voor een belastinginspecteur mogelijk is om in de bezwaarfase een informatiebeschikking op te leggen. Waar vorig jaar de lagere rechters nog anders oordeelden (zie ons item van 11 november 2014), heeft ons hoogste rechtscollege nu geoordeeld dat dit in beginsel kan.

In de situatie waarover de Hoge Raad zich gebogen heeft, werd een informatieverzoek van de belastinginspecteur beantwoord met de opmerking ‘n.v.t.’. Vervolgens legde de inspecteur navorderingsaanslagen op. Belanghebbende maakt bezwaar tegen die aanslagen, waarna de inspecteur alsnog een informatiebeschikking oplegt waarbij hij opnieuw vraagt naar dezelfde informatie.

De informatiebeschikking - waartegen in bezwaar en beroep kan worden gekomen – is een krachtig middel. Als de informatiebeschikking namelijk onherroepelijk komt vast te staan, is voor belanghebbende de sanctie van de omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing! Het is dus zaak om een informatiebeschikking uiterst serieus te nemen en daar desgewenst tijdig bezwaar tegen te maken (zie ook ons item van 2 januari 2014).

Is het nu zo dat de belastingdienst te allen tijde alsnog in de bezwaarfase een informatiebeschikking kan vaststellen? Nee, dat is niet het geval. Die bevoegdheid wordt begrensd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Als de inspecteur in de aanslagfase bijvoorbeeld onomwonden heeft laten weten dat hij geen informatiebeschikking zal vaststellen, dan kan hij dat niet in de bezwaarfase alsnog doen. Dan verzet het vertrouwensbeginsel zich daar namelijk tegen. En zo kunnen er nog andere omstandigheden zijn waardoor een beroep op dat beginsel kan worden gedaan.

Kortom, een gewaarschuwd mens telt voor twee!

Geplaatst op 01-10-2015
Zeer waarschijnlijk vanaf 1 januari 2016 opvolger voor de VAR
Nadat wij eerder dit jaar (op 24 februari jl.) schreven dat de aanvankelijk beoogde opvolger van de VAR (Verklaring ArbeidsRelatie) van tafel is was, ziet het er naar uit dat het alternatieve wetsvoorstel – de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (WDA) – de eindstreep wèl zal halen. De Staatssecretaris heeft namelijk onlangs de Memorie van Antwoord en een brief over deze wet naar de 1ste Kamer verzonden. In die brief heeft hij uitdrukkelijk aangegeven dat het wenselijk is dat de WDA met ingang van 1 januari 2016 zal worden ingevoerd.

Wat houdt de WDA in? Onder de WDA kunnen opdrachtgevers zelf kiezen of zij een sectorale of sectoroverstijgende voorbeeldovereenkomst gebruiken of dat ze zelf een overeenkomst opstellen en voorleggen aan de Belastingdienst. Partijen kunnen in beginsel vrijwaring ontlenen aan een door de Belastingdienst beoordeelde overeenkomst, op voorwaarde dat zij in de praktijk overeenkomstig de overeenkomst handelen. Daar waar dat niet het geval is, dus daar waar bijvoorbeeld feitelijk sprake is van werknemerschap, kan straks een correctieverplichting of een naheffingsaanslag voor de loonheffingen worden opgelegd bij de opdrachtgever (= feitelijk werkgever). De inwerkingtreding van de WDA per 1 januari 2016 is zonder meer wenselijk; per 1 januari 2016 loopt namelijk de geldigheidsduur van de bestaande VAR’s af.
Geplaatst op 15-09-2015
Meer fiscale duidelijkheid over alimentatie voor de ex-samenwoner?
Marieke en Jeroen wonen sinds jaar en dag samen; ze delen huis, haard, lief en leed met elkaar.  Alleen het zogenaamde ‘boterbriefje’ is er - om welke reden dan ook - nooit van gekomen. Na een moeilijke periode is onlangs het moment gekomen waarop ze hebben besloten om een punt achter hun relatie te zetten. Ieder zal zijn eigen weg gaan, de samenwoning zal worden beëindigd. Marieke komt uit een welgestelde familie en heeft een goede baan. Jeroens plaatje ziet er wat dat betreft heel anders uit. Hij werkt 20 uur per week met hart en ziel als maatschappelijk werker, de rest van de week reilde en zeilde hij hun - tot voor kort gezamenlijke – huishouding. Als zij elkaar ooit het ‘ja-woord’ hadden gegeven, dan had Jeroen recht gehad op partneralimentatie.

Marieke wil echter graag – geheel vrijwillig - maandelijks alimentatie aan Jeroen gaan betalen. Ze wil namelijk dat hij zijn leven in materiële zin op min of meer dezelfde voet voort kan zetten. Fiscaal kan dit tot nadelige gevolgen leiden; denk aan de heffing van schenkbelasting bij Jeroen. De bedragen die Marieke aan hem overmaakt, zouden namelijk zomaar eens door de Belastingdienst als ‘bevoordeling uit vrijgevigheid’, oftewel gift, kunnen worden aangemerkt. Staatssecretaris Wiebes heeft onlangs bekend gemaakt dat hij er geen bezwaar tegen heeft als ex-samenwoners hetzelfde worden behandeld als ex-echtgenoten.

“Voor de fiscaal aanvaardbare hoogte van de onderhoudsuitkeringen kan worden aangesloten bij de Tremanormen. Voor zover de onderhoudsuitkering die normen niet overschrijdt, wordt de onderhoudsuitkering geacht te strekken tot het voldoen aan een natuurlijke verbintenis. Deze behandeling geldt zowel voor de inkomstenbelasting als voor de schenkbelasting.”

Goed nieuws dus voor Marieke, Jeroen en andere ex-samenwoners!

Geplaatst op 03-09-2015
Vanaf 2017 een gedifferentieerd fictief rendement in box 3!
In aansluiting op onze website items van 18 juni en 2 juli is er vermeldingswaardig nieuws. Vorige week hebben de VVD en PvdA bekend gemaakt dat box 3 met ingang van 1 januari 2017 zal worden gewijzigd. De essentie van de voorgestelde wijziging is dat de ‘kleine spaarder’ minder en de ‘grote spaarder’ juist méér belasting zal gaan betalen.

‘Kleine spaarders’ zijn zij die een box 3 vermogen hebben van maximaal € 100.000. Zij zullen vanaf 2017 een fictief rendement van 2,9% (dit is nu 4%) in aanmerking dienen te nemen. Dat fictieve rendement zal – net als nu - tegen een tarief van 30% worden belast. Voor de tussencategorie – zij met een vermogen tussen de ton en één miljoen Euro – komt er een fluctuerend rendement; voorlopig is dat 4,7%. Voor de belastingplichtigen met een vermogen van meer dan 1 miljoen, de ‘grote spaarders’, wordt er een vast rekenrendement van 5,5% ingevoerd. Verder gaat het belastingvrije box 3 vermogen voor iedereen wat omhoog, namelijk naar een bedrag van in totaal € 25.000 per belastingplichtige.

Dit voorstel stuit op de nodige kritiek; waarom gaat men niet het werkelijke in plaats van het fictieve rendement belasten? Het daartegenin gebrachte argument dat “de controle capaciteit van de Belastingdienst daarop niet is berekend, dus dat dat niet uitvoerbaar is”, is naar onze mening niet valide. De hoogstaande digitalisering en gegevensuitwisseling faciliteren juist een dergelijk systeem.

Verder is bekend gemaakt dat in 2017 de vrijstelling schenkbelasting ter zake van een eigen woning weer omhoog gaat. Namelijk weer naar € 100.000. De in mei aangekondigde grootscheepse herziening van het hele belastingstelsel is voorlopig uitgesteld. De Haagse politieke verhoudingen maken dit vooralsnog onhaalbaar. Desondanks zijn wij erg benieuwd naar Prinsjesdag!






Geplaatst op 31-08-2015
Werkwijze aangifteverzuimboeten openbaar gemaakt
Als een aangifte te laat wordt ingediend dan vormt dat een verzuim. Verzuimen worden gesanctioneerd met boetes; bij een aangifteverzuim inkomstenbelasting (hierna: IB) is dat in beginsel een boete van € 369 en bij een aangifte vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) is dat maar liefst      € 2.639.

Boetes dienen echter ‘passend en geboden’ zijn en het zal u niet verbazen dat dat veelal niet het geval is bij de net genoemde bedragen. Dit heeft geleid tot een lawine aan rechtspraak waarin de verzuimboete Vpb - afhankelijk van de feiten en omstandigheden  - veelal verminderd. Tot voor kort moest er dus een uitgebreid gemotiveerd bezwaarschrift worden ingediend om een aangifteverzuimboete te kunnen aanvechten.  Dat is nu niet meer altijd nodig. Sinds 1 januari vorig jaar wordt er namelijk eerst een boetebeschikking afgegeven en als de aangifte daarna – dus nog voordat de aanslag is opgelegd – wordt ingediend, dan vermindert de Belastingdienst de boete meestal automatisch. Als er al wel een ambtshalve aanslag (immers naar een geschat bedrag, bij gebrek aan een aangifte) is opgelegd en er wordt bezwaar tegen die aanslag gemaakt, dan wordt de boete ook verminderd op voorwaarde dat de aangifte nog voor het de uitspraak op bezwaar is ingediend. Voorgaande berust op beleid van de fiscus, dat onlangs bekend geworden nadat iemand een Wob (‘Wet openbaarheid Bestuur’)-verzoek had gedaan.

Samenvattend worden in beginsel alle na 1 januari 2014 opgelegde verzuimboetes vermindert conform dit beleid als de ondernomen actie (het indienen van de aangifte, het maken van bezwaar) voldoet aan de voorwaarden.
Geplaatst op 02-07-2015
Box 3: van pretbox naar box vol ergernis...
Zo’n veertien jaar geleden, in 2001, werd box 3 (de vermogensrendementsheffing over sparen en beleggen) nog ‘pretbox’ genoemd, vanwege het effectieve belastingtarief  van 1,2% (namelijk 30% over een forfaitair rendement van 4%). De tijden zijn veranderd, heden ten dage ligt het rendement op spaartegoeden ver beneden de 4%, terwijl het systeem van box 3 blijft uitgaan van 4% rendement. Het werkelijke rendement is dus niet relevant, het fictieve rendement is het enige dat telt.  Een aantal belastingplichtigen vond dit ronduit oneerlijk en is in bezwaar, beroep en hoger beroep gegaan.

Zij motiveren hun rechtsgang met het argument dat zij van mening zijn dat de vermogensrendementsheffing naar haar aard in strijd is met artikel 1, Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Deze belastingplichtigen zijn tot nu toe in het ongelijk gesteld, hetgeen wij (zonder glazen bol overigens) voor 99,99% al zeker wisten. De teneur van de jurisprudentie laat namelijk een hele duidelijke lijn zien in vergelijkbare gevallen. Dit is onlangs nog door de Hoge Raad bevestigd:

“(…) dat het forfaitaire stelsel niet elke grond ontbeert, en dat dit stelsel gelet op de ruime beoordelingsmarge die de fiscale wetgever toekomt, niet strijdig is met het eigendomsrecht. (…) Deze strijd zou wel bestaan als het door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. (…)”  De vraag volgens ons is, of er sprake is van een buitensporig zware last als een belastingplichtige met 1% rendement op een spaartegoed de keuze heeft om dit geld anders te investeren (bijvoorbeeld in aandelen) en daarop een hoger rendement te behalen.

Toch zijn er diverse belastingplichtigen die bezwaar hebben gemaakt tegen box 3 en nog steeds maken. Omdat de Belastingdienst inmiddels meer dan 10.000 bezwaarschriften heeft ontvangen, heeft de Staatssecretaris op 26 juni jl. een Besluit gepubliceerd waaruit het volgende blijkt. Alle bezwaarschriften tegen box 3 die tot nu toe zijn ingediend worden aangemerkt als ‘massaal bezwaar’. Er zal te zijner tijd – zodra een en ander helemaal is uitgekristalliseerd in de rechtspraak – collectief uitspraak op bezwaar worden gedaan.

Verder laat de Staatssecretaris in voornoemd Besluit weten dat alle belastingplichtigen die nog een dergelijk ‘box 3’ bezwaar willen indienen - tegen een op 26 juni 2015 nog niet onherroepelijk vaststaande aanslag - dat niet meer hoeven te doen. Mocht het zo zijn dat de Belastingdienst niet geheel in hoogste nationale instantie in het gelijk wordt gesteld, dan worden ook de aanslagen van de belastingplichtigen die geen bezwaar hebben ingediend, verminderd.

Dus mocht u met de gedachte spelen om te ageren tegen de box 3 heffing, dan hoeft u die tijd niet te besteden aan het schrijven van een bezwaarschrift. Wij wensen u een fijne vakantie toe!
Geplaatst op 18-06-2015
Uitgangspunten voor een nieuw belastingstelsel…
Vorige maand werd al bekend dat de kiem is gelegd voor een nieuw belastingstelsel. Over de inhoud was nog niets bekend, dat werd angstvallig geheim gehouden. Premier Rutte liet vorige maand nog weten dat zelfs de presentatie van een ‘prototype’ of een ‘ruwe houtskoolschets’ van een belastingherziening hem te ver zou gaan: ‘Dan gaat iedereen shoppen en is het dood voor de inkt droog is.’ Hij geeft er daarom de voorkeur gaat om eerst achter de schermen brede overeenstemming te bereiken - buiten de camera’s om dus – anders wordt het plan als het ware in de kiem gesmoord.

Zoals dat wel vaker gaat is er inmiddels iets meer bekend. Zo zijn de uitgangspunten voor het  nieuwe plan lastenverlichting, vereenvoudiging, werkgelegenheidsgroei door lagere lasten op arbeid en vergroening. Gisteravond hebben de zes oppositiepartijen op het ministerie van Financiën gesproken met staatssecretaris Wiebes over het nu nog geheime voorstel van het kabinet. Recentelijk is uitgelekt dat de maatregelen zijn ondergebracht in 3 pakketten.

Het eerste pakket ziet op de verhoging van de arbeidskorting, verlaging van de tweede schijf, een hogere inkomensafhankelijke combinatiekorting en loonkostenvoordeel. Het tweede pakket beoogt een verhoging van het lage 6% btw-tarief naar 21% met uitzondering van primaire levensmiddelen. Concert- en theaterkaartjes, een bezoek aan de kapper, een diner in een restaurant én konijnenvoer, zullen voor de consument onder dit plan duurder worden als gevolg van de btw-verhoging. De btw op de eerste levensbehoeften – de meeste van uw boodschappen in de supermarkt - blijft daarentegen 6%. Tot slot geeft het derde pakket gemeenten meer ruimte om eigen belastingen te heffen in het kader van decentralisering.

Logischerwijze is er veel kritiek op het tweede en het derde pakket. Beide pakketten maken het leven van de gemiddelde belastingplichtige duurder en het is maar de vraag of dit (voldoende?) gecompenseerd wordt door de voorgenomen maatregelen in het eerste pakket. Kortom er is nog heel veel onduidelijk en het tot wasdom komen van het nieuwe belastingstelsel zal nog even duren. Wij houden u op de hoogte van het (groei)proces.
Geplaatst op 14-04-2015
Hoge Raad wijst interessant arrest over verhuurde woningen in box 3
Zeer recent heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waaruit blijkt dat een belastingplichtige zijn verhuurde woningen in box 3 mag waarderen tegen de werkelijke waarde als die meer dan 10% afwijkt van de waardering die uit de wet voortvloeit.

Wat was er aan de hand? In de zaak waarover de Hoge Raad zich heeft gebogen, verhuurde een belastingplichtige vijf woningen aan huurders die onder de huurbeschermingsregels vielen. De huur kon in deze situatie niet worden verhoogd, maar alleen jaarlijks worden geïndexeerd. Belastingplichtige moest deze woningen sinds het jaar 2010 in box 3 waarderen tegen de WOZ-waarde met een correctie op basis van de ‘leegwaarderatio’. Leegwaarderatio betekent dat afhankelijk van de hoogte van de jaarlijkse huur, de waarde van de woning wordt vastgesteld op basis van een bepaald percentage (minimaal 45% en maximaal 85%) van de WOZ-waarde.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat als gevolg van deze waardering de in aan te merken waarde ten minste 10% hoger ligt dan de waarde in het economisch verkeer van de woningen, dat de ‘leegwaarderatio’ dan onverbindend dient te worden verklaard. In die gevallen mag worden uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer van de woningen. Deze zaak is nu verwezen naar Hof Den Haag voor een nadere beoordeling van de - door belanghebbende aannemelijk te maken - waarde in het economische verkeer van de verhuurde woningen op de WOZ-waardepeildatum.

Wat betekent dit arrest voor de praktijk? Bij de aangifte inkomstenbelasting 2014 kan het in vergelijkbare situaties (dus verhuurde woningen die onder de huurbeschermingsregels vallen) interessant zijn om te beoordelen of de door de Hoge Raad geformuleerde rechtsregel speelt. Ook bij aanslagen inkomstenbelasting die nog niet definitief vaststaan kan dit  in vergelijkbare situaties worden overwogen. Om een beroep op de rechtsregel van de Hoge Raad te kunnen doen is in elk geval een deugdelijke onderbouwing nodig, om zodoende aannemelijk te kunnen maken dat sprake is van een afwijking van 10% of meer.
Deze rechtsregel strekt zich overigens vooralsnog alleen uit tot verhuurde woningen die onder de huurbeschermingregels vallen. Gelet op de overwegingen in het arrest achten wij het aanvechten van de belastingheffing over spaargeld via de rechter nagenoeg kansloos.
Geplaatst op 25-03-2015
Btw-suppletie vóór 1 april a.s. indienen
Als u over 2014 te veel of te weinig btw heeft betaald, dan is het zaak om vóór 1 april 2015 een btw-suppletie in te dienen. Zodoende kan het risico van belastingrente (momenteel 4%) over de te weinig betaalde btw worden voorkomen. Kleine correcties tot € 1.000 (betalen of terugkrijgen) mag je als ondernemer ook verwerken in de eerstvolgende btw-aangifte. Wellicht ten overvloede merken wij nog op dat er een wettelijke verplichting geldt om een btw-suppletie - na het constateren van de te weinig/te veel afgedragen btw - zo snel mogelijk in te dienen. 
Geplaatst op 18-03-2015
Depotstelsel definitief van de baan!
In de afgelopen jaren was er steeds sprake van dat de G-rekeningen (de geblokkeerde rekeningen) zouden worden afgeschaft. Daarvoor in de plaats zou het depotstelsel komen. Inmiddels heeft de Belastingdienst echter besloten om het depotstelsel niet in te voeren. De G-rekeningen zullen namelijk toekomstbestendig worden gemaakt.
Geplaatst op 17-03-2015
Een fiscaal motief om in het huwelijksbootje te stappen?
Samenwonende partners en gehuwden (waarmee wij ook het geregistreerd partnerschap bedoelen) worden fiscaal op heel veel onderdelen gelijk behandeld. Eén van de onderdelen waar zich echter een opvallend verschil voordoet is de vermogensetikettering voor ondernemers die een eenmanszaak of een VOF/maatschap hebben. In de recente jurisprudentie is namelijk de volgende situatie aan de orde geweest.

Ondernemer X koopt samen met zijn vriendin, met wie hij een samenlevingsovereenkomst heeft gesloten, een huis. Van dat huis, waarin ze samenwonen en waarin X zijn ondernemingsactiviteiten verricht, zijn ze beide 50% eigenaar. X merkt – op grond van de vermogensetikettering - het hele huis aan als ondernemingsvermogen. De inspecteur en ook de belastingrechter zijn het daarmee oneens. Samenwonende partners – ook al zijn ze beide 50% eigenaar van hun eigen woning – zitten ten opzichte van in gemeenschap van goederen gehuwden in een juridische positie die verschillend is. Het beroep van X op het non-discriminatiebeginsel is tevergeefs. X kan en mag alleen de helft van het pand, namelijk zijn eigendomsaandeel, fiscaal in aanmerking nemen en dus niet de hele woning als ondernemingsvermogen aanmerken.

Voor X is dit wellicht een motief om in het huwelijksbootje te stappen. Hiervoor geldt echter het aloude spreekwoord “Bezint eer ge begint”!

Geplaatst op 24-02-2015
Wetsvoorstel Beschikking Geen Loonheffingen voorlopig in de ijskast
De Staatssecretaris heeft in een brief laten weten dat het Wetsvoorstel Beschikking Geen Loonheffingen (hierna: BGL) voorlopig niet wordt ingevoerd. Het kabinet onderzoekt namelijk een alternatief dat is voorgesteld door FNV Zelfstandigen en Stichting ZZP Nederland. Voorlopig ligt dit dus stil; de VAR 2014 blijft geldig als de omstandigheden en voorwaarden - waaronder deze afgegeven - niet wijzigen.
Geplaatst op 19-02-2015
Extra opletten bij bezwaar tegen afdracht LB en OB
Het komt weleens voor dat een belastingplichtige het niet eens is met de afdracht loonheffingen (hierna: LB) of omzetbelasting (hierna: OB) die dient te worden gedaan. Denk bijvoorbeeld aan de orkaan van bezwaarschriften die bij de Belastingdienst is ingediend tegen de ‘crisisheffing’, die ook wel “Robin Hood tax” (zie ons vorige nieuwsitem) wordt genoemd. Omdat het hier om zogeheten aangiftebelastingen gaat (aangifte en betaling zijn gelijktijdig) en niet om aanslagbelastingen (zoals de inkomsten- en de vennootschapsbelasting, waarbij je eerst een aangifte indient waarna later een aanslag volgt), vangt de bezwaartermijn pas aan op het moment waarop de LB of OB is afgedragen.

Juist op dit punt is het extra oppassen geblazen. Als er al bezwaar wordt gemaakt en er nog geen afdracht is gedaan (dus de desbetreffende LB of OB is nog niet betaald) of als die afdracht pas veel later zal plaatsvinden (en de opdracht van betaling en bezwaar dus niet parallel lopen) dan loop je een aanzienlijk risico dat je qua rechtsbescherming met lege handen komt te staan. Op grond van de wet heb je dan te vroeg bezwaar gemaakt, waardoor de Belastingdienst het bezwaarschrift niet in behandeling hoeft te nemen. Ook een beroepschrift indienen bij de Rechtbank zal in deze situatie geen soelaas bieden. Die zal namelijk alleen maar het oordeel mogen (en kunnen) vellen dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De belastingrechter baseert zich immers op dezelfde wet.

Voorgaande is onlangs nog bevestigd door de Hoge Raad. In die zaak boog ons hoogste rechtscollege zich over een situatie waarin op 2 mei 2013 bezwaar was gemaakt tegen de aangifte maart 2013 (de beruchte crisisheffing), maar waarbij pas op 24 mei 2013 de loonheffing 2013 was betaald. Belanghebbende werd ook door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard, waardoor zijn zaak inhoudelijk niet kan - en zal - worden beoordeeld. Extra opletten dus bij het maken van bezwaar tegen aangiftebelastingen, en mocht er te vroeg bezwaar zijn gemaakt, dan is het van groot belang om tijdig tegen de naheffingsaanslag bezwaar te maken. De juiste timing is dus - net als bij het creëren van een culinair hoogstandje - van groot belang!

Geplaatst op 23-01-2015
Ontwikkelingen in de crisisheffing-jurisprudentie

De jurisprudentie over ‘de crisisheffing’ (die vanwege haar karakter ook weleens ‘Robin Hood tax’ wordt genoemd) is zich aan het ontwikkelen. Die jurisprudentie leek tot nu toe op een B-film: telkens oordeelde de desbetreffende Rechtbank dat geen sprake was van strijd met Europees recht. De aangevoerde grieven zoals een ontoelaatbare aantasting van het eigendomsrecht (art. 1 Eerste Protocol EVRM), de terugwerkende kracht, strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel (art. 26 IVBPR en art. 14 EVRM), brachten de Rechtbanken tot nu toe niet tot een ander oordeel.

Rechtbank Noord-Holland heeft daarentegen onlangs geoordeeld dat de crisisheffing een verboden materieel terugwerkende kracht bevat als een in februari 2012 genoten bonus – dat was dus nog vóór de eerste kennisgeving over het invoeren van de crisisheffing – door die heffing wordt getroffen. Ten aanzien van de heffing over de bonus is dan geen sprake van voorzienbaarheid, wat leidt tot doorbreking van de ‘fair balance’.

In de procedure waarover deze Rechtbank zich gebogen heeft, ging het dus om incidentele betalingen die begin 2012 hadden plaatsgevonden en waardoor de cruciale grens nog vóór 26 april 2012 – het tijdstip van bekendmaking - al was overschreden. De vraag is echter of het recente oordeel van de Rechtbank ook geldt voor een situatie met ‘niet-incidentele loonbetalingen’. De lagere jurisprudentie is zich naar aanleiding van proef- en individuele procedures nog volop aan het ontwikkelen. Hoe het scenario van de crisisheffing uiteindelijk zal verlopen, valt nu nog moeilijk te voorspellen. Het wachten is namelijk op de eerste arresten van de Hoge Raad in deze kwestie. Overigens valt voorgaande naar onze mening niet los te zien van recente ontwikkelingen op OESO niveau waar gesproken wordt over de mogelijke invoering van een ‘Piketty belasting’. De arresten van de Hoge Raad zouden dus best weleens richting het genre van een ‘film noir’ kunnen gaan. Hoe het ook zij, zodra het eerste arrest van de Hoge Raad over de crisisheffing het levenslicht heeft gezien, schrijven wij voor u op deze plaats een recensie! 
Geplaatst op 14-01-2015
Statutenwijziging van een ANBI
Afgelopen week is er een arrest van Hof Den Haag gepubliceerd waaruit blijkt dat een statutenwijziging van een ANBI (een Algemeen Nut Beogende Instelling) kan leiden tot verlies van de ANBI-status.

Rechtbank en Hof oordeelden namelijk dat op basis van de nieuwe statuten niet meer bleek dat de desbetreffende stichting als doelstelling had het verbreiden en bevorderen van het Soefisme noch van enige religie, levensbeschouwing en spiritualiteit. Die doelstelling bleek wel uit de oude statuten, maar die werden van tafel geschoven omdat de ANBI-status op basis van de laatste versie van de statuten moet worden beoordeeld.

Daarmee verloor de stichting haar begerenswaardige status (giften aan een ANBI zijn namelijk fiscaal aftrekbaar voor de schenker, een ANBI betaalt geen erf- of schenkbelasting en zo zijn er nog wat voordelen). Een statutenwijziging kan dus ook tot fiscaal (zeer) ongewenste gevolgen leiden.

Geplaatst op 09-01-2015
Zege voor de rechtsbescherming
Ons hoogste rechtscollege - de Hoge Raad - heeft afgelopen maand een paar arresten gewezen die een overwinning zijn voor de rechtsbescherming bij aangiftebelasting (zoals de loon- en omzetbelasting).

Het eerste arrest ging over het ontbreken van een rechtsmiddelverwijzing en de als gevolg daarvan verschoonbare termijnoverschrijding. Voor fiscale leken klinkt dit als abracadabra, daarom volgt hierna een vertaling in gewoon Nederlands.  Als een (aanslag met een) instructie over hoe je bezwaar kunt maken ontbreekt, dan kan het door de belastingplichtige te laat maken van bezwaar – omdat hij de termijn niet kende – (afhankelijk van de omstandigheden) hem worden ‘vergeven’. Daarbij wordt de kennis van een eventuele gemachtigde over de bezwaartermijn door de Hoge Raad toegerekend aan de belanghebbende. Per belanghebbende en/of gemachtigde moet dus beoordeeld worden in hoeverre zijn/haar kennis reikt ten aanzien van de bezwaartermijn. Wij verwachten dat dit zal resulteren in nogal wat jurisprudentie.

In het tweede arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een proceskostenvergoeding ook mogelijk is bij aangiftebelastingen. Het ging hier een aangifte bpm ten aanzien waarvan de belastinginspecteur zich op het standpunt had gesteld dat hij niet onrechtmatig had gehandeld omdat belanghebbende zelf de bpm op aangifte had voldaan volgens de op dat moment geldende wettelijke regels. De Hoge Raad oordeelt dat sprake is van een onrechtmatig handelen van de wetgever; gelet namelijk op het feit dat op het moment van de afdracht op aangifte al sprake was van een regeling die strijdig was met het EU-recht. Dit onrechtmatig handelen van de wetgever moet in dit geval voor rekening van de inspecteur. De Hoge Raad kent aldus een kosten- en een proceskostenvergoeding toe. Overigens is ook hier een nuancering op zijn plaats. Het in strijd met het EU-recht handelen van de inspecteur leidt niet zonder meer tot een vergoeding van de van de integrale proceskosten.

Kort en goed betekenen de hier aangehaalde arresten een zege voor (extra)  rechtsbescherming van zij die belasting op aangifte moeten voldoen of afdragen. Daarvan krijgen wij het gevoel van een vreugdesprong!